| Ouders vertellen: Autoreis door het Noordwesten van Argentinië |
|
Voordat Bas in april naar de basisschool gaat, maken we nog een keer een langere reis buiten de schoolvakanties. Vijftien jaar geleden reisden we met zijn tweeën door Argentinië. En ook nu willen we echt rondreizen, maar deze keer wel met eigen vervoer.
Bas leert fietsen in Los Cocos
We hebben onze zinnen op het Noordwesten van Argentinië gezet. Het deel van het land waar de Indiaanse invloeden het grootst zijn. We vliegen in een uur van Buenos Aires naar Cordoba, een juweel van Spaanse koloniale architectuur. Op het centrale plein, de ontmoetingsplaats van de stad, is altijd wel een bandje aan het spelen. Veel Argentijnen komen hier met hun kinderen en Bas en Joep kunnen vrij rondrennen. Cordoba is mooi, maar ook druk met veel verkeer, dus vertrekken we na twee dagen met de gehuurde Ford. Cassettebandjes van VOF de Kunst en Ibbeltje mee, zodat er vertrouwde geluiden in de auto klinken.
Vrienden voor het levenWe strijken neer in Mina Clavero, een vakantieplaatsje aan de rivier in de Sierra de Cordoba. Het is zomer, dus er wordt volop gezwommen en gezond. We zijn hier echt tussen de Argentijnen op vakantie. In ons hostel lijken alle families op onze balustrade met elkaar bevriend te zijn en na een dag horen wij er ook bij. Bas en Joep spelen met de andere kinderen en ’s avonds worden eten en wijn gedeeld. In Argentinië is de hoofdmaaltijd tussen de middag. Wij passen ons graag aan en gaan ‘s middags uit eten. Eigenlijk prima, de kinderen zijn fitter, het is een mooie pauze in de dag en we hoeven ’s avonds niet te wachten tot om negen uur de restaurants open gaan. Als we na een paar dagen uit Mina Clavero vertrekken, hebben we het gevoel vrienden voor het leven gemaakt te hebben. Er worden zelfs tranen vergoten vanwege ons vertrek. In Los Cocos, een plaatsje dat hoger in de Sierra de Cordoba ligt, zijn we de enige gasten in het kleine familiepension met grote tuin. Op een fietsje van een van de kleindochters van de gastfamilie leert Bas hier fietsen zonder zijwieltjes. “Kijk eens, kijk eens, ik kan het…”
Joep’s eerste woordjes: ’si’ en ‘no’
Dan maken we een lange reisdag richting het noorden. Het landschap verandert dramatisch en we komen echt in de hogere bergen. Tafí del Valle is zoals je je Zuid-Amerika voorstelt: stoffige straten, witte huisjes en de jeugd galopperend door de straten. Paardrijden leer je hier zoals je bij ons leert fietsen. We reizen langzaam verder naar het noorden en zien waanzinnige rotsformaties en grote cactussen als in Mexicaanse bandietenfilms. Steeds vaker rijden we over niet geasfalteerde wegen.
Spelen op een grote binnenplaats of in de tuinVanuit het oude landhuishotel in Cachi kijken we uit over de sneeuwtoppen van de Andes, terwijl we ook nog buiten kunnen zwemmen. Hier worden we in de watten gelegd door een Indiaanse vrouw die heerlijk voor ons kookt. We zoeken steeds naar hostels of pensions met een grote binnenplaats of tuin waar de kinderen fijn kunnen spelen. Slapen doen we altijd met zijn vieren op een kamer. Joep begint een beetje te praten en zegt zowaar si en no. De laatste week zijn we in Tilcara, een hooggelegen Indianendorpje in het uiterste Noordwesten waar vanwege het mooie licht veel kunstenaars wonen. De bergen lijken hier door alle rijke grondstoffen op verfpaletten. We rijden graag door die verlaten berglandschappen en zien bij de grens met Chili de uitgestrekte zoutmeren. Een onwerkelijk plaatje. Eenmaal uit de auto weten Bas en Joep niet hoe hard ze moeten rennen over dat witte meer op 4000 meter hoogte. In Tilcara leren we een kunstschilder kennen, die ons meeneemt naar het Indiaanse carnaval op het platteland met al haar tradities en offers. ‘Wat wens jij mam?’, vraagt Bas bij het offer van cocabladeren. Behalve een goede oogst wens ik dat we hier nog eens terug zullen komen.
|