| Ouders vertellen: Drie jaar op zee met het gezin |
|
Wessel schreeuwt: “Ik heb beet, ik heb beet!” We werpen achteloos een blik op zijn vislijntje en zien tot onze verbazing dat er werkelijk beweging in zit. We nemen gas terug zodat de kleine rustig zijn lijntje kan binnenhalen. We zijn al bijna drie jaar onderweg en al drie jaar ziet hij hoe zijn vader grote vissen binnensleept. Vaak hing ook voor hem een lijntje overboord, maar nog nooit was daar een vis op afgesprongen. In Cuba heeft hij geluk: zijn eerste vis!
‘Wat doe je je kinderen aan?’ In augustus 2002 voeren wij met het hele gezin ‘voor een jaar’ naar het buitenland. We wilden de Atlantische Oceaan rondvaren met ons zeiljacht Indigo. Wessel was tien maanden, Erwin zeven jaar en Christiaan negen toen we vertrokken. Voor ons vertrek stuitten we op nogal wat weerstand. Familie en vrienden moesten erg aan het idee wennen. De opmerking ‘dat doe je je kinderen toch niet aan?’ hebben we veel gehoord. ‘Je haalt ze weg uit hun vertrouwde omgeving, je haalt ze weg bij hun vriendjes en vriendinnetjes’. Toch gingen we, juist voor de kinderen. Voor de oudste twee was dit anders dan voor kleinste. Christiaan en Erwin wilden we de wereld laten zien, ze in aanraking laten komen met andere culturen en talen. Wessel konden we op deze manier een veilige tijd geven dicht onder de vleugels van zijn broers en ouders. Geen crèche maar een zwembadje op het achterdek Maar een boot is een traag vervoermiddel. Je hobbelt in een tempo van ongeveer tien kilometer per uur de zee over en je eigen levensritme daalt mee. De kanaaleilanden weten we nog in drie weken te doen maar bij de Ria’s in Noord Spanje zakt ons tempo meer en meer in. Het is te mooi om daar snel aan voorbij te varen. De dolfijnen, de schilderachtige dorpjes, de heerlijke Spaanse tapas, het is dik genieten. Al in de eerste maanden dringt het tot ons door dat we tijd moeten nemen voor deze reis. Waarom haasten nu we eindelijk los zijn?
‘De kinderen zijn echte mannetjes van de zee geworden’ We varen door naar Porto Santo en Madeira. We bezoeken de Kanarische Eilanden en maken een stop op De Kaap Verden van drie maanden. Inmiddels is het april 2003 en we zijn de oceaan nog niet eens overgestoken. De jongens sluiten vriendschappen met andere kinderen op andere jachten waarmee we hele stukken opvaren. Steeds meer raken ook zij los van het strakke Nederlandse leven en genieten ook zij van de rust en de vrijheid. We staan voor een belangrijke beslissing: moeten we vanaf nu racen of zullen we er een jaar aan vastplakken? Christiaan, op dat moment in groep 6, is heel duidelijk: “Ik hoef niet meer naar de basisschool hoor. Laten we nog maar even doorgaan op de Indigo”. Ook Erwin geeft duidelijk aan verder te willen. Het zijn inmiddels echte mannetjes van de zee geworden die zelf zo even met het bijbootje naar de kant gaan of vrienden opzoeken. We besluiten er in elk geval een tweede jaar aan vast te plakken.
Zullen we in Suriname blijven wonen? Vanaf de Kaap Verden steken we over naar Suriname dat ons volledig in de greep krijgt. Het scheelt maar een haartje of we blijven daar voorgoed wonen. Vanaf de eerste dag is iedereen hier behulpzaam en worden we bij mensen thuis of in hun dorp uitgenodigd. Het is een beetje als thuiskomen. Heerlijk om gewoon weer even een volkoren te bestellen en een pondje komijnekaas te halen bij de supermarkt. Zalig, vooral ook voor de kinderen, om je eigen taal te kunnen spreken en ’s ochtends De Ware Tijd (Surinaamse Nederlandstalige krant) bij je kopje koffie open te slaan. Surinamers zijn gek op kinderen. Moeders en vaders ontfermen zich hier over alle kinderen in de buurt. Als de jongens even uit ons zicht zijn, krijgen we vaak meteen een seintje van iemand dat hij of zij ze wel in het vizier had. Worden we met de kinderen op straat overvallen door een tropische regenbui, dan stopt een taxi om ons gratis even naar onze bestemming te brengen. Toch besluiten we de reis waar we aan begonnen zijn voort te zetten. Zeven maanden na onze binnenkomst op de Surinamerivier, trekken we het anker op en zetten we koers naar Venezuela, de Orinoco op. Een uniek gebied waarin we tussen de Warao indianen de delta bevaren. Zo trekken we verder langs Zuid-Amerika het Caribische gebied in terwijl een derde jaar zich aandient. Steeds meer leven we ons eigen ritme. Na het Caribische gebied ontdekken we Jamaica en Midden-Amerika met Guatemala als hoogtepunt. Na drie jaar varen zijn de basisschooljaren van Christiaan op. Het verlangen naar een ‘beetje’ meer ruimte en privacy begint bij iedereen te groeien. Kennelijk is het tijd om naar huis te gaan. Via Cuba varen we in rustig vaarwater naar de Verenigde Staten. We zwaaien naar het vrijheidsbeeld en maken de boot in New York klaar voor de laatste etappe, richting Europa.
‘Wat doe ik mijn kinderen aan door terug te komen?’ Wessel is vier jaar geworden. We zijn krap een maand in Nederland en ook voor hem gaat het schoolleven beginnen. Ik probeer zijn juf te vertellen hoe we geleefd hebben. ‘Hij weet heel veel van vissen’ hoor ik mezelf zeggen. Ik voel een gapend gat tussen ons en de school. Bij Wessel slaan de eerste dag de stoppen door. Hij schreeuwt moord en brand als ik richting de klapdeuren van de uitgang loop. Het gaat niet. Voor het eerst dreigt hij ergens achter te blijven zonder familie in de buurt. ’s Avonds legt hij zijn knuffels klaar op zijn bed in ons tijdelijke huisje in Amsterdam. “Deze neem ik allemaal mee naar de boot” zegt hij zeer beslist. “Ik ga helemaal niet blijven, ik wil naar de Indigo. Ik ben bang, het huis is te groot.” Ook Christiaan, nu in de brugklas, en Erwin, groep acht, komen in het begin bijna dagelijks in tranen thuis. Het is moeilijk om het plagen en pesten van klasgenoten te relativeren. Een groot goed is dat we aan boord een hechte eenheid zijn geworden. We hebben geen schroom om af en toe bij elkaar uit te huilen en het verlangen naar ons zeeleventje uit te spreken. Ik denk regelmatig terug aan de opmerkingen van voor ons vertrek die nu gek genoeg uitblijven. Toch gonst de vraag telkens door mijn hoofd: ‘Wat doe ik mijn kinderen aan door terug te komen?’ Het eerste jaar Nederland is nu bijna voorbij. De jongens komen langzaamaan lekker in hun vel te zitten en zijn weerbaarder dan in het begin. Wessel draait nu zelfstandig mee in groep 1. We hebben onze intrek genomen in een ruim appartement met uitzicht over het water. De binnenvaartschepen varen in de verte voorbij. Regelmatig bekijken we de foto’s die we onderweg gemaakt hebben. Het doet geen pijn meer om er naar te kijken. Ik zie de trots in het gezicht van Christiaan bij de beelden van Tikal of Havanna. ‘Daar zijn we maar mooi geweest hè?’ Erwin vindt zijn weg via de MSN naar zijn vrienden in Australië en Zuid-Afrika. Wessel wijst in de supermarkt nog altijd feilloos de makrelen en de haring aan. In zijn nieuwe kamertje bouwt hij geconcentreerd een hoge toren van kapla. Als ik binnenkom kijkt hij me tevreden aan: “Kijk mamma, New York!”. |