| Ouders vertellen: Tentenkamp in de Ardennen |
|
Het plan werd spontaan geboren. Onze mannen zijn deze zomer aan het werk. Wij moeders passen op de kinderen maar dát kunnen we toch ook ergens anders doen dan thuis! Het mag alleen niet te veel kosten. We gaan kamperen met (geleende) tenten. Zo eenvoudig mogelijk, alles zelf doen. Caroline is onze meest ervaren kampeerster, zo eentje die zelf haar tent opzet. Lili en ik zijn heel wat gewend (alleen geen kamperen), dus waarom zouden wij niet óók zelf onze tent op kunnen zetten. We kiezen voor de Waalse Ardennen omdat dat zo lekker dichtbij is en toch héél anders dan thuis. Op de dag van vertrek is er een kleine kink in de kabel: Caroline, ons lichtend voorbeeld in het kamperen, is ziek.
Lili en ik vertrekken wat later dan gepland en komen om 7 uur ’s avonds bij de camping aan. Het is een mooie, met uitzicht op glooiende hellingen en oprijzende bossen. Onze kinderen hebben zich geweldig gedragen achter in de auto maar krijgen nu toch echt honger. Eerst maar een restaurant zoeken. Om 9 uur zijn we terug op de camping en beginnen aan de zakken waar ons ‘huis’ voor de komende dagen inzit. De kleinste van de tenten is eenvoudig opgezet, maar die grote wil zich maar niet in zijn ware vorm tonen. Na een uur ploeteren staat een grote buitentent die 15 cm boven de grond hangt, zonder binnentent. Het is inmiddels 11 uur. De kinderen gedragen zich nog steeds voorbeeldig maar worden toch een beetje moe, al was het alleen maar van het struikelen over al die scheerlijnen. Die binnentent moet er nu toch écht eens in. We doen maar wat en ik slaap vervolgens die eerste nacht óm de middenpaal heen gevouwen, met mijn twee kinderen aan weerszijden tegen het tentzeil aangedrukt. Gelukkig begint het pas de volgende ochtend te regenen.
De buren hebben het wél voor elkaar‘”Wat zijn we hier in hemelsnaam aan het doen?”, vraag ik me ’s ochtends af, als ik op een loopje achter Stefan (8) aan naar de toiletblokken hol. De kampeerfamilies om ons heen met hun vouwwagens en caravans schijnen het er niet moeilijk mee te hebben dat je voor elk kinderscheetje een blokje om moet en al het warm water dat je nodig hebt (eitjes, melk opwarmen, thee zetten) éérst pannetje voor pannetje moet koken. En dat terwijl de kinderen met hun moddervoetjes de tenten in en uit lopen en na vijf minuten al terugkomen met een zwart achterwerk in hun schone broeken. Eigenlijk hebben die anderen het allemaal góéd voor elkaar. Want daar gaat het toch om op de camping, dat je tafeltjes schoon is, je hutje opgeruimd en je koffiewater staat te pruttelen. ’s Middags staat Caroline weer helemaal beter voor onze neus en vanaf dat moment begint het een beetje te lopen. Voor het eten hebben we een goed plannetje bedacht. Bij gebrek aan tafelruimte én vanwege de volstrekt uiteenlopende eetgewoonten van onze kinderen introduceren we het ‘kinderbuffet’: een rijtje van bakjes met komkommer, mais, cashewnoten, rijst, paprika, tomaten en sla. Het is een ongeëvenaard succes. De peuter en kleuterhandjes graaien graag naar die kleurige bakjes en zo krijgen ze heel wat binnen. Kijk mama, babysnurkers!
‘Mama mag ik op jacht’ vraagt de kleine Joep (2) de volgende ochtend. Dit wordt het spel van de week. De camping heeft lekkere hoogteverschillen en spannende kruipdoor- sluipdoorpaadjes. De kinderen volgen elkaar over die ‘geheime’ weggetjes. Die middag gaan we ons eens oriënteren op kinderuitstapjes en de Ardennen blijkt een reuzenspeeltuin voor peuters. In elk van de romantische stenen stadjes waar we komen is aan kinderen gedacht. Bij aankomst in het kneuterige rivierstadje La Roche (15 minuten rijden), zitten we binnen het kwartier in een elektrisch kindertreintje dat de wuivende kinderschare mee de heuvels inneemt en ook nog blijkt te stoppen bij een prachtig dierenpark. En zo lopen we bijna twee uur achter zes peuters en kleuters aan die de bossen afspeuren op wolven, wilde zwijnen en herten (allemaal binnen grote omheiningen). Joep is niet weg te krijgen bij de ‘babysnurkers’, de kleine everzwijntjes die een paar dagen daarvoor geboren zijn.
Achter de bizons aanEen andere dag in Bastogne worden we na de taarten en ijsjes in een luxe tearoom doorverwezen naar La ferme des Bisons. Voor we het weten hobbelen we in een huifkar over de prairie en zien de bizons én hun kleintjes op een paar meter afstand rustig grazen. Het Indianen- en bizonmuseum spreekt tot de kinderverbeelding met levensgroot afgebeelde leef- en vechtsituaties van de Indianen en de dieren in hun bossen. Karel (5) zit even in het verkeerde sprookje: “Kijk, sneeuwwitje en de boze wolf”, roept hij uit als hij een Indianenjongen met een wolf ziet lopen. De derde dag gaan we wandelen vanaf de camping en belanden ín een spannend, snel stromend beekje dat we wel een kilometer volgen onder struiken en tussen bomen door. Daarna zoeken we een visriviertje omdat de nieuw verworven schepnetjes nog vandáág moeten worden uitgeprobeerd. De Ourthe blijkt niet alleen super voor kanoën. Staand op de rotsen in het lage water scheppen de kinderen het ene na het andere minivisje uit het water. We maken een vijvertje voor de vissen op het tentenkamp. Nu nog een bizon en we leven echt als indianen. Er is té veel om uit te kiezen. De laatste uitstapdag benutten we om Chlorophile te bezoeken, een reusachtig bos waar om de 100 meter houten, educatieve en superspannende kinderspelen zijn gemaakt. ‘Kun jij net zo ver springen als een hert, net zo goed zien als een arend, net zo veel tillen als een mier? Je kunt het uitproberen.’ De kinderen tellen de ringen van een doorgezaagde boom, bekijken de natuur door een levensgrote schilderijlijst en liggen op de grond om de bomen van onderen te zien… De pret houdt niet op.
Misschien wel het heerlijkste van die hele vakantie, is om ’s avonds laat in je tentje vol matrassen en kinderwarmte te kruipen. Om zo op twee vierkante meter in het donker te liggen tussen je zacht ademende kinderen is een heel kostbaar gevoel. “Mama”, zegt Stefan half in zijn slaap. “Wil je m’n hand vast houden?” En dat doe ik, elke nacht.
|