| Ouders vertellen: IJsland, een andere manier van leven |
|
Hete zwembaden en ijzige regens IJsland is zoals het klinkt. In mei, als wij vanuit een behagelijk Nederland vertrekken is het er zo’n 6 °C. Na aankomst op de luchthaven van Reykjavik rijden we met onze huurauto meteen naar de Blue Lagoon, de grootste openlucht ‘hotpool’ van IJsland. Daar willen we wel in, maar zou dat open zijn? Welnu, één ding over IJslanders hebben we binnen een uur geleerd: ze zwemmen onder álle omstandigheden buiten, in heet water; zo ook in de Blue Lagoon. De kinderen protesteren vanwege de kou, maar als ze zich in het warme reuzenbad laten glijden dan juichen ze van genot en plezier. De Blue Lagoon geeft een wonderlijke aanblik. In een meer van lichtblauw porseleinwater drijven tientallen hoofden, omgeven door stoom. De oevers bestaan uit zwarte lavarotsen, waar hier en daar een pot witte zwavelpasta staat om je mee in te smeren, ‘voor een eeuwig jonge huid’.
Na dit ruige bad eten we een frietje in de bar met uitzicht op de pool, terwijl de regen tegen de metershoge ramen beukt. Een onwezenlijke situatie, vooral ook omdat in de bar lounge muziek klinkt en wijn gedronken wordt door sjieke dames met bontjassen en snelle heren in crèmekleurige colbertjes. We slapen in Reykjavik en ’s avonds maken we om beurten nog een wandelingetje door de stad. Er heerst een vreemde sfeer. Zelfs in de hoofdstraat met juweliers, modezaken en cafés is de nabijheid van de zee en de elementen voelbaar. Reykjavik is eigenlijk niet meer dan een verzameling huizen op een drijvende rotspartij in zee vlakbij de Noordpool. Ik word door een gevoel van vrijheid overspoeld. Overvloed aan ruimte en kleuren De volgende ochtend schijnt de zon. Na een wandeling door de stad rijden we naar het noorden waar we in Akureyri een hostel hebben besproken. We tuffen over lege wegen, door een landschap van steen en mos. Er groeit niets, geen boom te zien, af en toe een boerderij, maar nooit twee huizen in dezelfde vallei. Maar hoe leeg ook, de kleuren van de natuur zijn verbluffend. Hier dicht bij de pool is het licht zo helder en transparant dat de kleuren van het land op je af lijken te stormen: bruin, rood, groen, geel, zilver, grijs goud en zwart, af en toe afgetopt met witte kronen van sneeuw. Het is 5 uur rijden naar Akureyri en de kinderen slapen onderweg 1 1/2 uur. Om de dag helemaal goed te maken zoeken we bij aankomst een zwembad op. In elk stadje of dorp in IJsland blijkt een zwembad te zijn, altijd buiten, altijd met grote baden van verschillende temperatuur én speeltoestellen voor de kinderen. We gieren het uit: de badmeesters dragen ijsmutsen en dikke jassen en wij liggen in ons badpak te stomen met alleen onze neus boven water.
Sneeuwlimonade!
In Akureyri komen we tijd te kort om alle wonderlijke verschijnselen van het vulkanisch land dat IJsland is te kunnen zien. Rondom het Myvatin meer zijn poelen vol borrelende modder, lavalandschappen begroeid met helgroene mossen, grotten en geisers. We maken er een wandeling door bemoste en besneeuwde heuvels. David en Tiare maken een sneeuwpop waar we even later met leedwezen weer afscheid van moeten nemen. De sneeuw is zo maagdelijk dat de kinderen er trek van krijgen. We geven ze een bekertje sneeuw met siroop; sneeuwlimonade is lekkerrrrrrr! In Husavik vlakbij Akureyri gaan met een boot mee de zee op. David staat onophoudelijk het water af te turen naar walvissen. Uiteindelijk zien we een potvis en een groep dolfijnen die de boot maar niet wil loslaten. Ze zwemmen onder ons door en springen over elkaar heen voor onze ogen. “Mama, ze aaien onze boot”, roept David.
Een mooie levensstijl Na Akureyri hebben we nog één bestemming, Snaefellsnes, een schiereiland aan de westkust. We hebben een huisje op het land van boer Martein met zijn vrouw Erdna. Ze wonen net zo afgelegen als al die andere boerderijen die we hebben gezien en nu beginnen we de levensstijl een beetje te begrijpen. Erdna is een moderne, intelligente vrouw. Ze is het liefst met haar IJslandse paarden bezig. Ze houdt niet van zon en van drukte; maar van lekker buiten zijn onder alle weersomstandigheden. Ze leert de kinderen een paar woordjes IJslands. We maken een wandeling langs het strand in de regen. Kaplaarzen, regenjassen aan en stappen maar. De kinderen raken door het dolle heen van alles wat ze vinden: mosselen schelpen, wieren, gekronkelde takken. Zakken vol moeten mee naar huis. Twee uur later zitten we in ons huisje, aan een tafeltje voor het raam uitkijkend op het onwaarschijnlijk lichtgroene landschap in de druilregen. Tiare wil een potje dammen en ‘s middags als het opklaart mag David een uurtje in de buitenbak op de IJslandse ponny’s rijden, zijn favoriete bezigheid. Na twee dagen moeten we terug naar Reykjavik en naar huis. Het laatste dat we doen is in de buurt van Reykjavik een reusachtige waterval, de Gulfoss en de hoogst spuitende geiser van het land, de Geysir bezoeken. De kinderen willen niet weg en wij ook niet. We beginnen te wennen aan de ruimte en rust van het land. Het geeft zoveel ruimte in jezelf. “Iceland, the way life should be lived” (IJsland, zoals je eigenlijk zou moeten leven) lezen we vlak voordat we het vliegtuig in stappen op een billboard. Misschien is dat wel waar. |