| Ouders vertellen: Met je eigen ‘woonschip’ naar het IJsselmeer |
|
Een weekendje IJsselmeer; gewoon wegvaren! Mét je eigen varende huis eropuit. Naar het IJsselmeer, de Vinkeveense Plassen of gewoon even met het huis voor een drankje naar Ouderkerk aan de Amstel. Inpakken is niet nodig; het hele huis gaat mee. Wat we wel vaak doen, is vrienden meevragen die zelf ook varen. Met kinderen aan boord is een helpende hand nooit weg. Vooral in de sluizen. Mijn dochter Anouk verheugt zich enorm op een reisje naar het IJsselmeer met haar vriendje Ko.
“Dag huis, we komen snel weer terug” Vlak voordat alles losgekoppeld wordt, zet ik nog koffie. Snel vul ik wat flessen met leidingwater. ‘Kan alles er nu af?’ klinkt het van buiten. ‘Koppel maar los,’ roep ik terug. Onze vrienden, Arnolda en Michiel, stappen aan boord. Hun tassen en het campingbed van hun zoontje Ko zet ik direct achter in het schip. De stalen deuren van de machinekamer die het schip in tweeën delen gaan nu dicht. Zo hebben zij een eigen ruimte. De kinderen krijgen hun zwemvesten aan. Bernard hijst de vlag. Langzaam draait de enorme kont van ons schip dwars op het water. De grote steiger ligt er zonder schip verlaten bij. ‘Dag huis,’ zegt Anouk. ‘We komen snel weer terug.’ We varen de Amstel af richting stad – ons schip ligt net daarbuiten - voorbij theater Carré. Daar draaien we de Nieuwe Herengracht op. Varend door de smalle grachten van Amsterdam, hebben we veel bekijks. Vooral met Anouk en Ko aan boord. Toeristen barsten in lachen uit als zij hun hoofdjes boven het luik zien uitsteken. De kinderen hebben het buiten alweer gezien. Binnen lonkt het vertrouwde speelgoed. En benedendeks mag het zwemvest uit.
Kinderkooi op het dek Een hoogtepunt is de aankomst bij de Oranjesluizen. Het is lastig manoeuvreren in de sluis met een lang schip als het onze. Vanwege de lengte is het verplicht om een marifoon aan boord te hebben. De havenmeester praat met ons over de marifoon. ‘Leg dat scheepje maar vooraan aan bakboord neer,’ klinkt het gebiedend door de speaker. Gelukkig heeft Michiel, die op het voordek staat, veel ervaring. Moeiteloos gooit hij de lijn om de bolder. Bernard bedient de enorme versnellingspook. Om het schip op de juiste plaats te krijgen, moet het een stukje achteruit. Je zult altijd zien dat juist op zo’n moment de kinderen aandacht vragen. Dankzij genoeg mankracht kan een van ons zich nu over hen ontfermen. Schipperskinderen zitten dus niet voor niets in een kooi boven op het dek. Hun ouders moeten echt de handen vrij hebben.
Varen op het open water geeft een groots en machtig gevoel Eenmaal de Oranjesluizen door, bekruipt ons het vrijgevochten gevoel van echte zeelieden. Het schip deint rustig mee op de golven. Benedendeks staan de bloemen gewoon op tafel. Daar verschuift eigenlijk bijna nooit wat. Hooguit zwaait een lamp wat heen en weer. De kinderen staan aan het roer. Als een trotse kapitein houdt Ko het stuur vast. Anouk kijkt naar hem op. Een grote rode blos kleurt hun wangen. De buitenlucht doet hen zichtbaar goed. Na zo’n drie uur varen, legt Bernard het schip voor anker. Tijd voor spelevaren. Het kleine bijbootje wordt van dek gegooid. Bernard roeit met mij en de kinderen naar een eilandje even verderop. Vanuit het bootje zien zij een muis op het roer. Die is door het enorme lawaai van de motor uit zijn schuilkamertje gedreven. Arme muis. Bernard pakt een bekertje en neemt hem mee naar het eiland. Anouk en Ko gillen van plezier. Na eindeloos zandkastelen bouwen en dammen aanleggen worden de kleintjes moe. Het wordt tijd om te gaan eten. Op het voordek leg ik grote kleden neer die ons het gevoel van picknicken geven. Arnolda en ik maken de salades. Bernard gaat barbecuen. Michiel houdt zich met de kinderen bezig. Even later genieten we van een simpele maar heerlijke maaltijd. Het Turkse brood, het geroosterde vlees en de schitterende sterrenhemel doen ons geloven dat we aan de Middellandse Zee zijn. Anouk en Ko rennen alsmaar rondjes over het schip. Na een valpartij is het genoeg geweest. Moe en voldaan belanden ze in hun bedjes. De volwassenen zitten stil bij elkaar op het dek. Het water klotst tegen het schip. In de verte klinkt het geroep van een vogel. We hebben allemaal een enorm vakantiegevoel.
Hé waar ben ik? Wakker worden in je eigen huis dat op een andere plek ligt, geeft hetzelfde gevoel als verdwaald zijn. De verbazing duurt niet lang. De bewegingen van het schip en de geluiden herinneren ons eraan dat we op het IJsselmeer zijn. Douchen is niet nodig. Een duik in het meer zorgt voor de nodige verfrissing. Ik serveer een uitgebreid ontbijt aan de grote scheepstafel. Na het ontbijt besluiten we om weer eens een stukje te gaan varen. Anouk en Ko zijn nog zo moe van de vorige dag, dat we besluiten hen weer in bed te leggen. De motor ronkt lekker waardoor de kinderen zo in slaap vallen. Het weer slaat alleen om; windkracht zeven. We gaan terug. Het schip gaat behoorlijk heen en weer. Wat ik anders nooit doe, doe ik nu wel. De bloemen gaan van tafel, de drankflessen haal ik van het dressoir. Er gebeurt niets. Ons schip kan de hoge golven gemakkelijk weerstaan. Na zo’n twee uur varen komen we bij de Oranjesluizen aan. De kinderen liggen nog op één oor. In de sluis gaat alles voorspoedig. Amsterdam torent langzaam weer boven alles uit. Anouk en Ko melden zich. Ze zijn zichtbaar blij dat we nog steeds varen. Om de beurt mogen ze nog even aan het roer staan. Anouk is heel uitgelaten wanneer we thuiskomen. ‘Daar is ons huis!’ roept ze, wijzend naar de lege plek waar normaal het schip ligt. |